Jojanneke Vanderveen


Lang leve het individualisme
21 april 2015, 10:00
Filed under: Uncategorized

Ik ben een individu. Ik ben ook een individualist.

Mensen leven samen. Ze ontwikkelen zich samen. Ze doen aan arbeidsdeling en plaatsen zich daarmee in een positie van wederzijdse afhankelijkheid. Betekent dit dat je als individu niet meer bestaat? Dat je niet meer als individu ergens aanspraak op kunt maken? Dat je geen beroep meer kan doen op rechten die aan jou als individu toekomen? Nee.

Laat ik mijn positie contrasteren met de morele theorie van het utilisme. Een van de grote bezwaren tegen het utilisme is dat het het onderscheid tussen mensen niet serieus genoeg neemt. Het utilisme zegt: als de totale hoeveelheid geluk groter wordt als we het ene individu opofferen voor het belang van andere individuen, dan is opoffering gerechtvaardigd.

Dit is de vloek van het utilisme. Het belichaamt een tactiek van ‘het doel heiligt de middelen’, en kan daardoor geen onderscheid maken tussen virtue en vice. Voor het utilisme maakt het niet uit of degene die opgeofferd wordt nu een verwerpelijk of juist een bewonderenswaardig leven leidt. Als excellentie afgunst oproept, winnen de jaloersen. Als leugens gemoedsrust geven, winnen de veinzers. Als afwijkendheid bang maakt, winnen de conformisten. Zo wordt ‘het grootste geluk voor het grootste aantal mensen’ maar al te makkelijk een rechtvaardiging voor onderdrukking.

Ik ben tegen onderdrukking. Als je het mij vraagt, is het van grote waarde dat er ruimte is voor excellentie, excentriciteit en het spreken van de waarheid. Het is om die reden dat een consequentialistische theorie als het utilisme volstrekt geen afdoende antwoord geeft op ethische en, daaruit volgend, politieke vragen.

Wat we nodig hebben voordat we met consequentialistische argumenten aan de slag kunnen, is een erkenning dat ieder mens er als individu toe doet. Dat het individuen zijn die doelen hebben, pijn voelen, leerprocessen doormaken. Het feit dat zij dit doen in samenhang met anderen, doet daar niks aan af.

Ik ben van mening dat linkse politieke partijen dit moeten erkennen, en dat zij, als ze geven om een rechtvaardige, vrije samenleving met ruimte voor diversiteit, in belangrijke mate het individualisme moeten omarmen. Individualisme sluit gemeenschapszin niet uit. Het ontkracht ook het streven naar gelijke kansen niet. Het ontkent ook niet dat we ons samen actief moeten inzetten om armoede en achterstanden tegen te gaan. Het zegt wél dat de belangen van ieder individu ertoe doen. Dit betekent dat niemands belangen eenzijdig mogen worden opgeofferd aan anderen.

Homohaat. Racisme. Xenofobie. Uitbuiting. Deze dingen maken me woedend, niet omdat ze per saldo de samenleving ongelukkiger maken. In een samenleving die overwegend homofoob, racistisch en xenofoob is, en die leeft op de uitbuiting van mensen en dieren die worden uitgesloten van de politieke gemeenschap, is de gemiddelde hoeveelheid geluk wellicht erg hoog. Maar ik heb geen geluksmeting nodig om zo’n samenleving verwerpelijk te vinden. Waarom niet? Omdat zo’n samenleving weigert ruimte en respect te bieden voor individualiteit.

Ik ben een individu. Ik heb doelen. Ik heb ambities. Ik heb dromen.
Ik ben een individualist. Ik wens het iedereen toe dat zij de kans krijgen hun dromen achterna te gaan.



Moraliteit: regelvolgen vs. reflectief handelen
1 oktober 2014, 13:24
Filed under: Filosofie

De laatste jaren heb ik veel en vaak nagedacht over de vraag wat iemand tot een moreel verantwoordelijke agent maakt. Wat moet je precies voor vaardigheden hebben om tot de groep van wezens te behoren die in staat zijn tot moreel handelen? Of, dezelfde vraag vanuit een andere hoek: wat voor wezens kan je moreel verantwoordelijk houden voor hun gedrag?

Wie zijn de morele agenten?
Door de geschiedenis van de ethiek heen lijkt de intuïtie vaak geweest te zijn dat het antwoord op deze vraag ‘mensen’ is. Mensen zijn verantwoordelijke wezens. Mensen kan je prijzen en beschuldigen. De vraag waarom dit zo zou zijn, is echter een erg moeilijke. Wat is het dan aan mensen dat ze moreel verantwoordelijk maakt? Pogingen deze vraag te beantwoorden krijgen vaak al snel met obstakels te maken; te behoren tot de soort ‘mens’ is niet voldoende. Er zijn immers ook mensen die we niet verantwoordelijk houden, zoals jonge kinderen en zwaar mentaal gehandicapten. Anderzijds zijn er andere diersoorten die, net als mensen, sociale normen hebben waar individuen geacht worden zich aan te houden.

Kunnen we ieder wezen dat op de een of andere manier onderscheid kan maken tussen ‘goed’ en ‘slecht’ verantwoordelijk houden voor haar gedrag? In hoeverre moet je hiertoe in staat zijn? En op wat voor manier?

Reflectief handelen versus regelvolgen
Tot nu toe heb ik me in mijn filosofische werk bezig gehouden met het beargumenteren waarom het kunnen volgen van regels, het je kunnen houden aan conventies, niet voldoende is om als morele agent te tellen. Mijn gedachte: als je blind kunt doen wat iemand je opdraagt, ben je daarmee nog geen morele agent. Zelfs als je die opgelegde regel op een bepaald moment zelf kunt handhaven, als je zelf kunt herkennen welk gedrag je moet vertonen om volgens de regel te handelen, is dat nog geen werkelijk moreel handelen. Moreel handelen, heb ik altijd gedacht, behelst meer. Het behelst dat je in staat bent jezelf een regel op te leggen, te redeneren over goed en slecht en te beargumenteren waarom een bepaalde regel het volgen waard is.

Ik ben daar niet op terug gekomen, maar ik vraag me sinds kort wel af of het logisch is te zeggen dat dat de volledige opvatting is van wat moraliteit betekent. Is het niet te beperkt om te zeggen dat alle wezens die goed en slecht identificeren met de regels die ze nu eenmaal geleerd hebben, en die regels nooit in twijfel trekken, derhalve nooit moreel handelen? Er is een bepaald vermogen nodig om sociale conventies te herkennen en te kunnen volgen, en het lijkt niet raar om te zeggen dat dat een moreel vermogen is.

Hier tekent zich een verschil af tussen moreel handelen als (1) reflectief handelen versus (2) regelvolgen. Over dit onderscheid wil ik de komende tijd verder nadenken. Een eerste gedachte: wie kan regelvolgen, kan beloond en gestraft worden. Belonen en straffen kan tot doel hebben de actor het gewenste gedrag te laten vertonen. Om voor ‘diepe’ lof en blaam en voor vergeving in aanmerking te komen, moet je echter een morele agent van het eerste soort zijn. Dat lijkt mij nog steeds het meest nastrevenswaardige.



Neelie Kroes & the scary, dangerous, hybrid form of society
29 juli 2013, 11:20
Filed under: Filosofie, Politiek

Get into a conversation with a random right-wing thinker, and it has to be a serious one at that, and at some point she will start expressing an intense conviction that the free market is the solution to all the problems we face in society. The idea is, basically, that whereas governments are oppressive and try to force minorities into laws willed by majorities, the free market provides space, is creative, and, above all, voluntary.

The voluntary character of the market will make sure that the best ideas win. People are free to engage in cooperative ventures with each other. They can enter into contracts to use their ideas, their labour and their property in order to produce beautiful things. Most theorists and politicians who endorse this view, believe it is the only system that does justice to the fundamental, natural rights of people not to be curtailed in their liberty by others.

Often, right-wing thinkers believe as well that when society is organized in this free way, it will have the effect that people learn how to deal with their freedom. How could they learn if they never got to try…? Like Robert Nozick says: “Believing with Tocqueville that it is only by being free that people will come to develop and exercise the virtues, capacities, responsibilities, and judgments appropriate to free men, that being free encourages such development, and that current people are not close to being so sunken in corruption as possibly to constitute an extreme exception to this, the voluntary framework is the appropriate one to settle upon” (Nozick, p. 328).

Now, I have to admit, that sounds lovely on paper. If we are all free to live and work with the people we feel connected to, whether empathically or professionally, and we will all in fact do so in peace and harmony, the word will be great. Yet this requires a very optimistic view on what people are like, a view I fear is unjustified, looking at the world, and reading for example the work of Naomi Klein. One might even say that the right-wing, libertarian thinkers are the naïvely idealistic people of our time, which is more or less what Hans Achterhuis argues in De utopie van de vrije markt (The Utopia of the Free Market). They are even more so, because they think we should create this society completely, and not just halfheartedly, because the hybrid form of society, which has a moderately free market, is scary and dangerous, and will eventually, if not immediately, violate people’s rights.

Well, what can I say? I think they are wrong. I think arguing for laissez-faire capitalism is itself dangerous. Not because the ideal is rotten – I think it is not – but because the conception of the person in laissez-faire capitalism is much too optimistic. People will not become moral heroes just like that. One look at the free trade zones in countries like Bangladesh and Malaysia should tell us enough. In other words: it will not work.

Today, I found an example that nicely illustrates what I mean. Apparently, EU Commissioner Neelie Kroes thinks net neutrality is safer in the hands of the market than in the hands of governments. Whatever her actual, precise standpoint, what I thought was interesting is this reaction to Kroes’ plans. The author thinks commercializing the net will lead to “mass manipulation of citizens by the power elite of the EU”. How? Because commercial, main-stream parties will start dominating the net, whereas small, non-commercial, critical voices will sink down into the dark depths of the internet.

Funnily enough, the arguments the angry author of that article makes are pretty much the same arguments right-wing thinkers give against the scary, dangerous, hybrid form of society (or any other kind which is not laissez-faire capitalism). They both think endorsing this or that system will lead to the oppression of critical minorities and violation of their rights.

What should we conclude, then? Which system should we be in favour of? I think no system will be capable of solving all our problems. For in the end, the problems are created by power-lusty people who exploit others and use them as means to certain goals, whether large- or small-scale. It is those immoralities we will have to combat if we want to create a better world. The one system might better accommodate this quest than the other, true. But, however beautiful an ideal, I think it is most certainly not laissez-faire capitalism. So maybe we should just stick with some scary, dangerous, hybrid form of society for a while, keep publishing critical articles, and see where it leads us.

References

  • Achterhuis, H., De utopie van de vrije markt, Rotterdam: Lemniscaat, 2010
  • Nozick, R., Anarchy, State, and Utopia, Oxford: Blackwell Publishing, 2012 [1974]


Egoism
22 februari 2013, 17:07
Filed under: Filosofie
N.B.: This blog is in English. I didn’t do that to be cool. (That just happens to be a fortunate side effect.) It’s for the unfortunate souls in this universe who have not yet gotten into the art of reading and writing Dutch. (Wait, is that possible? Can coolness of English be a fortunate side effect if you are unfortunate if you don’t speak Dutch? I guess so. English can be cool, even if Dutch is at least as cool, or maybe even cooler. Moreover, the combination, well, ok, whatever. This is not the point. This blog hasn’t even started yet…)

*This is where the blog starts*

The first philosophical blog I posted here was entitled “Envy”. I asked myself the question: is it unethical to be envious of someone? I concluded that it was not, or at least, not necessarily. I regarded envy as a morally neutral state of mind, which only got a moral content when acted (or thought) upon in a specific way. If my envy encourages me to improve myself, so as to match the achievements of the one I’m envious of, then we might well say the envy was an ethically positive state of mind. If, however, I act so as to destroy, or think with contempt of, the achievements of the other, then my envy was a moral misstep. I still underpin this line of thought.

Two other ‘vices’ I mentioned in that blog (June 2010) were egoism and ambition. Now this is where it gets interesting, especially considering two recent events. The first ‘event’ is my blog of November 2012, named “I don’t like capitalism”. The other is that I read Atlas Shrugged by Ayn Rand last month, and found it highly exhilarating. (Because of this book, I will now focus on egoism, and leave ambition aside, because egoism will turn out to be a clearer example.)

Ayn Rand is considered a radical, controversial writer. She lived for most of the 20th century and published during half of it. She is a fierce proponent of egoism, greed and – capitalism. Now how is it possible that I, good leftist girl as I am, would find all these things appealing at the same time?

The answer: it’s all in the words. Although I am not done thinking about it – that would be too boring; what would I then be supposed to do for the rest of my life? – I think things are not so contradictory as they may seem at first. No, in fact, I don’t think they’re contradictory at all. How could they be? After all, A is A. (Unless, of course, my reasoning is defective, in which case I certainly hope someone will make me aware of it.)

Let me start with capitalism. Capitalism certainly looks well compatible with claiming that egoism and ambition are virtues, not vices. Some may think it’s merely opportunistic to start calling egoism a virtue (very practical for the ‘graaiers’), but let’s get back to that later. What do I find so disagreeable about capitalism? For sure, it is the grabbing, looting, exploiting, lying and deceiving that I would rather eliminate from the world at this very instant.

But ‘Aha!’ any follower of Ayn Rand would now say. ‘You are not talking about capitalism at all. You are talking about some scary, dangerous, hybrid form of society somewhere between capitalism and communism.’ As Ayn Rand would say: “There are two sides to every issue: one side is right and the other is wrong, but the middle is always evil” (Rand, p. 965).

Ok, so I believe they’re right. What I call ‘evil’, I should not call ‘capitalism’. I should call it ‘grabbing, looting, exploiting, lying and deceiving’. (I’m not so sure what to think about the scary, dangerous, hybrid form of society, but I’ll leave that for now.)

But now, if I find disagreeable what I find disagreeable, what am I to think of egoism? Surely egoism involves all those immoral things I have now already mentioned twice (let me therefore call them ‘The Evils’ from now on)? Here the Randian in me stands up. I would very much like to dismiss the equals sign between ‘egoism’ and ‘The Evils’ and replace it by the not-equal-to sign: egoism ≠ The Evils.

Whyever would I want to do that? Well, for much the same reasons that I am not willing to say that envy is a moral sin. Let us say, with Aristoteles and Rand, that happiness is the ultimate end of a human life. And let me now do something that promotes my happiness, for example, studying philosophy. This is an egoistic thing to do: I do it because I want to. Moreover, chances are that I will end up in the gutter; after all, who needs a philosopher? Does this make studying philosophy a bad thing? Nah, I don’t think so. (Somewhere, deep down, I even think studying ethics is actually quite a good thing to do.)

But, might not people steal and lie for selfish reasons? Sure, they might, but why would we discard ‘egoism’, just because some people misuse it? (What’s more, I also believe, with Rand, that ‘The Evils’ are in the end not in one’s self-interest at all, but that’s also a different story (there truly are many stories…)).

So, go ahead, be an egoist. Just be sure to do it well. Not quite convinced yet? Please tell me why!

Next topic: the scary, dangerous, hybrid form of society (or any other form)

 

References

Rand, A., Atlas Shrugged, New York: Signet, 1992 (first published in 1957)



Geen zin in kapitalisme
9 november 2012, 15:13
Filed under: Filosofie, Politiek

Bloggen, dat is lang geleden. Ik had allicht kunnen bloggen als voorzitter van DWARS. Ik ben dat ook wel een keer van plan geweest. Ik wilde de leden van DWARS een inkijkje geven in het leven van de voorzitter, onder het mom van transparantie enzo.

Mooie plannen, maar in de praktijk heb ik ze niet uitgevoerd. Uiteindelijk had ik het er te druk voor. Of eigenlijk moet ik dat anders formuleren: ik gaf prioriteit aan andere bezigheden. Liever wilde ik de wereld redden. Dat is overigens ook geen kattepis.

(Ik schrijf ‘kattepis’ expres zonder -n-. De -e- in ‘kattepis’ is namelijk een tussen-e. Het is geen pis van katten. Het is pis van een kat. Katpis dus, eigenlijk. Omdat dat niet lekker bekt, plakken wij Nederlanders daar een -e- tussen. Maar heus, ook nog een extra -n- slaat nergens op. Ik eet dan ook nooit een pannenkoek. (Of bakken jullie één pannekoek wel in meerdere pannen…?))

Maar de wereld verbeteren dus. Dat is waar ik deze blog ooit voor heb opgestart. Ik wilde discussies aanwakkeren. Nu ik als ambteloos burger weer volledig namens mezelf mag spreken, is het daarom tijd om dat weer eens te proberen. Vooral als er inspirerende (in dit geval) vrouwen zijn die de schrijflust aanwakkeren. Jeroni blogde gisteren over feminisme, omdat ze wil dat vrouwen en mannen gelijkwaardig durven deel te nemen aan het publieke debat. Laat ook ik dan mijn bijdrage leveren aan meer vrouwen in de politieke-blog-arena.

Latara blogt sinds eergisteren over haar poging om een jaar lang van 3 euro per dag te leven. Ze vraagt zich af: wat gebeurt er als een mens zichzelf overvloedigheden ontzegt? Ook dat inspireerde me om toch weer eens te schrijven. Toeval wil namelijk dat ik al enige tijd met een idee rondloop, dat ik eerder deze week samen met Jamili heb uitgewerkt. (Jamili is, hoewel geen vrouw, bij tijd en wijle ook inspirerend.)

Het idee begon bij kapitalisme. Ik gooi de knuppel in het hoenderhok: ik heb het niet zo met kapitalisme. De vocabulaire van ‘economische groei’, ‘consumeren’, ‘winstmaximalisatie’ doet me regelmatig huiveren. Als ik in winkels loop waar ze nieuwe spullen verkopen, voel ik me ongemakkelijk. Als politici niks tegen milieuproblemen durven te doen vanwege onze concurrentiepositie, voel ik verbijstering. We verpesten de aarde. Dat is deels een feitelijke constatering (waar ik graag de politieke dan wel filosofische discussie over aanga), en deels eenvoudigweg mijn diep gevoelde mening.

Toch ben ik deel van dat systeem. Ik ben weliswaar vegetariër, maar toch sta ik soms ook ineens op een volkomen raar tijdstip een zak M&M’s leeg te kanen, waar ik eigenlijk nauwelijks zin in had. Of heb ik ineens een kleffe en bovendien veel te dure croissant in mijn hand omdat ik te laat uit bed was gekomen om thuis nog een boterham te smeren. Ik heb daar geen zin meer in. Die chocola, die ‘room’boter en die plastic verpakkingen deugen niet. Dat het hele station vol zit met winkels deugt niet. En dat ik blijkbaar passief genoeg ben om eraan mee te doen, deugt ook niet.

Jamili voelde dat wel ongeveer net zo, en anderen met ons. Daarom richten we deze maand een ‘leefheid’ op. Met een groep mensen maken we afspraken over hoe we willen leven. Wat willen we wel en niet eten, kopen, doen? De afspraken kunnen overal over gaan. Het wordt een experiment met een einddatum. Als het bevalt, dan gaan we door.

Practice what you preach. Bij jezelf beginnen. Of, om met Kant te spreken: onszelf als autonome individuen de wet voorschrijven. Kijken hoe ver we komen. (Meedoen mag!)



Air & road
6 juni 2011, 21:45
Filed under: Philly

Deel 13

Dit stond nog in concepten… Ik wilde het voor de volledigheid toch nog maar even posten. 🙂

En toen was het echt bijna voorbij… Dit is mijn laatste avond. Morgenmiddag neem ik een bus naar New York en om 8pm (2 uur ’s nachts NL tijd) vlieg ik oostwaarts. Ik ben een beetje upset vandaag. Al weken kijk ik ernaar uit om naar huis te gaan, maar de afgelopen twee weken waren zo fijn, dat ik ineens ook zin heb om te blijven. Sowieso is het een heel erg raar idee dat ik nu gewoon m’n hele boedel inpak en met de noorderzon vertrek, zonder concreet plan om terug te komen. Nu ik hier gewoond heb, ligt er toch een stukje van mij in Amerika. Ik weet dat ik hier voorlopig niet weer ben, maar ik kan het me nog niet goed voorstellen.

De afgelopen weken waren super. Ik ben blij dat ik hier ben gebleven in de vakantie. Het heeft echt mijn gevoel over deze periode veranderd. School was fijn, maar ik was wat teleurgesteld over de mensen. Ik had gehoopt veel mensen te leren kennen en ‘to hang out with them’. Dat viel tegen. Maar de weinige mensen met wie ik wel echt tijd heb doorgebracht, hebben zich veel waard bewezen de afgelopen dagen.

Ryan (zie deel 7 voor prior reference) heeft me meegenomen naar upstate New York. Daar ging hij Oud&Nieuw vieren met oud-klasgenoten van hem van toen hij daar in de buurt studeerde. Hij had al aangekondigd dat het een feestje zou worden met rare, artsy mensen en hij had niet gelogen. Iedereen deed iets met muziek of poëzie of tekende of was anderszins bezig met kunst. Met zo’n groep kan het natuurlijk niet meer stuk, zeker niet toen de biertjes uit de koelkast kwamen en de live muziek begon.

Het was echt een geweldig feest. Ik heb vrijdagavond meer vrienden gemaakt dan in het hele semester. Iedereen was gezellig en open. Ik denk niet dat ik op een betere plek had kunnen zijn hier. Saratoga Springs is ook een hele mooie plek. Het ligt ongeveer 5,5 uur ten noorden van Philadelphia in de auto, dik 400 kilometer. Het is daar bergachtig en bossig. Het huis lag recht aan het bevroren Saratoga Lake. Het was prachtig. Het was fijn om buiten te zijn, in de natuur, na zo lang in drukke steden te zijn geweest.

De afgelopen twee weken heb ik veel drukke stad beleefd. Voor kerst ben ik naar Portland, Oregon gevlogen. Daar woont mama’s nicht Maggie. Vorig jaar zijn we met z’n zessen op vakantie geweest naar Amerika en toen hebben we ook een week bij haar doorgebracht. Ik wist dat ik daar welkom zou zijn en dat ik me er geen zorgen over hoefde te maken of het een fijne kerst zou worden. En dat is helemaal goed gekomen.

Op 22 december kwam ik ’s avonds laat aan na een probleemloze vlucht. Maggies vriendin Susan haalde me op van het vliegveld. Ze verwachtte dat ik wel vroeg wakker zou worden, omdat ik naar 3 tijdzones vroeger was gevlogen, maar ik waarschuwde haar dat ik gaten in de dag kan slapen. Ik werd om 3 uur ’s middags wakker. 6 uur Philly tijd.

Na een beetje eten zijn we naar een theatervoorstelling gegaan, Mars on Life. Zangeres Susannah Mars en haar band brachten een komisch concert/toneelstuk. De volgende dag was Christmas Eve. Ze hebben hier geen eerste en tweede kerstdag. Ze vieren kerstavond en eerste kerstdag.

Op Christmas Eve gingen we naar een feest van vrienden van Maggie en Susan. Na een geslaagd diner en fijne gesprekken met andere feestgangers gingen we naar huis. Toen waren er ineens cadeautjes. Ook voor mij. Ik had een hele stapel en ook nog een stocking vol met snoep en kleine prulletjes. Ik ben nu twee bingokaarten, een kerstkeukenschort, een ketting, een paar oorbellen, een magazine met Johnny Depp, een besneeuwpopte keukenhandschoen, een doos jelly beans, een zak chocolademunten en ik vergeet vast nog dingen, rijker. Lief!

Op kerstdag ging ik met Matt en Lizzie, Maggies kinderen, naar hun vaders familiefeest. Hun oudoom, die de gastheer was, houdt van koken en met kerst maakt hij altijd een groot diner. Hij print naamkaartjes en menu’s voor alle gasten en hij heeft een seating chart. Omdat hij zeker wilde weten dat hij mijn naam goed had geschreven, had hij mij opgezocht op internet. Toen ik daar aankwam, was hij dus al op de hoogte van mijn bezigheden als muzikant. Het was grappig. Ik was heel blij dat er op me gerekend werd en dat ik als volwaardige gast ontvangen werd. Heerlijk gegeten en wederom geanimeerd gekletst. Ik ging ’s avonds voldaan naar huis.

De rest van de dagen heb ik doorgebracht met slapen, shoppen in de amazing vintage store down the street, skypen met thuis en andere activiteiten die Maggie en Susan nog voor me in store hadden. Maandagavond ging ik naar Lizzie. Ze was van plan koekjes te gaan bakken met haar buurvrouw en het leek haar gezellig als ik ook kwam. Uiteindelijk waren er nog meer huisgenoten uit Lizzies huis en het buurhuis. Het was een van de gezelligste avonden van mijn tijd in Amerika. Ik heb gewoon te weinig vriendenavonden gehad hier. Zulke avonden zijn tof en belangrijk. New year’s resolution: hang out with my friends more. Doen jullie mee, friends? =)

De laatste avond ben ik met Maggie en Susan naar de bioscoop geweest. We hebben de film “Gulliver’s Travels” in 3D gezien, met Jack Black. Hele maffe film. Jack Black wordt ontvoerd door Lilliputters, de minibewoners van Lilliput. Ik geloof dat dat een of andere mythe is ofzo. Ik kwam ook al verwijzingen naar ontvoeringen door Lilliputters tegen op het vliegveld. Ik was hoogst verbaasd.

Ik was wat zenuwachtig over mijn reis terug. Er was tijdens mijn week in Portland veel sneeuw gevallen in Philadelphia en New York en in de dagen voor mijn terugreis waren er veel vluchten gecancelled. Bovendien zou ik om 1 uur ’s nachts aankomen in New York en moest ik daarna nog met de metro naar mijn hostel reizen. Dat hostel stelde me ook al niet helemaal gerust. De website waarop ik geboekt had, geeft reviews van de hostels die ze adverteren, maar dit hostel had nog geen reviews. Bovendien stuurde de eigenaar lichtelijk eigenaardige e-mails. Voorbeeldje (en dit voorbeeld is geen excerpt, maar een volledige e-mail):

“Yes if u well call me when u get out of plane at 9177342144. If u don’t call now one well be dare well see u”

Het kwam, laat ik het zo zeggen, niet zo professioneel op me over. Maar ik was laat met boeken en bovendien was de tweede nacht die ik wilde doorbrengen in New York, de nacht voor oudejaarsdag. Veel hostels hadden voor die gelegenheid de prijzen drastisch omhoog gedaan. Dit kwam als de enige betaalbare optie uit de bus.

Gelukkig heb ik al die bruggen min of meer probleemloos overgestoken. Het hostel was inderdaad lichtelijk eigenaardig en het zou me niks verbazen als die meneer zijn belastingopgave niet zo volledig invult en mij wat meer geld afhandig heeft gemaakt dan de bedoeling was, maar in ieder geval heeft hij me niet ontvoerd of iets in die trant. Het meest jammere was dat mijn roommate ont-zet-tend hard snurkte. Dat was echt niet grappig. De eerste nacht was nog uit te houden; één nacht met weinig slaap valt te overzien. De tweede nacht wilde ik echter echt graag slapen. Anders zag ik mezelf nog zo in slaap vallen op het Oud&Nieuw-feest. Ik zag geen andere oplossing dan zelf te verplaatsen naar een plek waar het kettingzaagachtige geluid niet tot doordrong.

Het was inmiddels 3 uur ’s nachts toen ik aan die onderneming begon. Ik pakte al m’n spullen en sleepte ze naar de woonkamer. Toen bracht ik ook mijn deken en kussen daarheen en als laatste het matras, dat ik boven uit het stapelbed moest halen, terwijl die jongen lag te snurken. Ik legde het matras zo ver mogelijk bij de snurkkamer vandaan en dacht dat ik het voor elkaar had. Mijn wekker lag naast me, m’n spullen waren dicht bij me en ik hoorde geen gesnurk meer.

Helaas kwam ik aan slapen nog niet toe, want ik hoorde een constant tikgeluid. Misschien had ik daar normaal doorheen kunnen slapen, maar ik was inmiddels zo gefrustreerd, dat ik dat er niet van zag komen. Ik ging op zoek naar de oorzaak van het getik en ontdekte dat het dak lekte en dat waterdruppels inmiddels al een grote, natte plek op mijn laken hadden gemaakt. Dit werd hem ook niet.

Een zoektocht door de rest van het huis leidde me tot de conclusie dat de enige andere mogelijk plek het trappenhuis was. De plek waar de trap van richting veranderde leek juist groot genoeg om een matras neer te leggen. Ik begon weer te slepen en inderdaad, het was alsof de trap als bed gemaakt was! Ik deed alle deuren dicht en heb geslapen als een engeltje.

De volgende ochtend vertrok ik vroeg, met een deel van mijn bagage. Een ander deel had ik de vorige dag al, na veel gezeul, weten te stallen bij een bagage-opsla-plek. Nog een ander deel stond nog in Philadelphia, bij Ryan thuis. Er valt nog veel te beschrijven en wie weet zou ik dat moeten doen, want ik weet het nu nog, maar ik moet zeggen dat de urgentie iets minder voelt, nu het toch alweer 6 juni is…

Na het Oud&Nieuw-feest in Saratoga Springs ben ik met Ryan teruggereden naar Philadelphia, waar ik nog twee gezellige dagen heb doorgebracht en wat laatste souvenirs heb gekocht. Toen was het zo ineens 4 januari. Samantha was zo lief om me naar het busstation van Phildelphia te brengen, alwaar ik opnieuw op een bus naar New York stapte. De bus bracht me naar hartje Manhattan. Ik slaagde erin zonder bestolen te worden mijn twee bomvolle koffers, rugzak, weekendtas en plastic shopping bag van de bus in een taxi te krijgen en met de taxi op het vliegveld aan te komen. Het was goed dat ik op tijd in Manhattan was, want ik moest in de spits naar het vliegveld zien te komen en ik kan je zeggen, dat is druk.

Op het vliegveld moest ik nog hele toeren uithalen en flinke sommen geld neerleggen om al mijn bagage aan boord te krijgen. Maar het kon me tegen die tijd allemaal niet heel veel meer schelen. Ik wist alleen: alles moet mee. Gelukkig kon de hele boel wel gewoon doorgelabeld worden naar Amsterdam, zodat ik het niet op IJsland nog eens opnieuw hoefde in te checken.

In Amsterdam wachtten papa, mama en Woutertje op me. Na een lekker, Nederlands broodje en een glaasje verse jus, vertrokken papa en mama met mijn bagage noordwaarts en ging ik met Wouter mee Amsterdam in. Ik moest die avond naar Utrecht voor mijn eerste, live bestuursvergadering van DWARS, die ik  onder geen voorwaarde wilde missen.

Na de vergadering ging ik met de laatste trein naar Groningen, liep ik met mijn rugzakje van het station naar huis en… stond ik voor een dichte deur. Ik had mijn enige sleutel van het nachtslot uitgeleend aan de tijdelijke bewoners van mijn huisje. Mama wist niet dat ik er geen had en had heel secuur de deur op slot gedaan. Met als gevolg dat ik om half 3 ’s nachts smachtend voor de deur stond, na m’n fijne plekje vier maanden niet gezien te hebben. Het licht was zelfs aan en lonkte. Toen is mijn lieve mamsje meteen in de auto gesprongen om de sleutel te brengen en kon ik heeeeerlijk slapen!

EINDE (Oh, ik heb er toch nog best weer wat bij getypt.)



Balance
21 december 2010, 09:24
Filed under: Philly

Deel 12

Klaar! Mijn semester is voorbij. Het is tijd om de balans op te maken.

Mijn eigen balans is wat verstoord; ik ben al ruim een week ziek. Verkouden hoor, niks ernstigs, maar het was wel een wat ongelukkige timing. Woensdag had ik mijn mid-year review (mijn zangexamen) en donderdag mijn recital (voorspeelavond). Gelukkig is het goed gekomen. Woensdag hielp het zelfs wel dat ik verkouden was, op de een of andere gekke manier. En donderdag waren er toch maar twee mensen bij mijn recital, dus toen was de druk er al wat af, haha. Ik vond het niet erg dat er maar twee mensen waren. Ik had het ook zelf een beetje in de hand gewerkt denk ik. Als ik had gewild dat de zaal vol zat, had ik mensen meer persoonlijk moeten aanspreken. Ik had wel flyers opgehangen en een berichtje op Facebook gemaakt, maar dat bleek dus niet zoveel uit te richten. Maar ik had wel verwacht dat het zo zou gaan. Het concertje was alsnog erg leuk.

Een ‘balans’-vraag die veel mensen de laatste tijd stellen: “so, how do you like America? Is it what you expected?” Met die vraag kun je natuurlijk allerlei kanten op, want voordat je ‘ja’ of ‘nee’ zegt, moet je eerst helder krijgen wat het dan is dat je verwachtte. Ik heb het idee dat ik niet echt verwachtingen had. Mensen hier schijnen te denken dat ik het gevoel had dat ik naar een vreemd land ging en dat ze dat denken is natuurlijk ook helemaal niet verrassend. Het is eerder vreemd dat ik zelf niet echt dat gevoel had, voor zover ik me kan herinneren. Ik zeg aldoor dat ik al wist wat ik moest verwachten, omdat ik hier al eerder was geweest, maar eigenlijk is dat niet echt een sluitend antwoord. Voordat ik hier ging wonen, was ik namelijk in twee etappes ongeveer vier weken in Amerika geweest. Een keer op fieldtrip van school en vorig jaar met z’n zessen op vakantie. Natuurlijk krijg je dan een impressie van een land, maar het is toch anders om er te wonen, zou je zeggen.

Ik weet het niet, though. Misschien is het wel waar dat ik geen verwachtingen had. Ik ben gewoon in dat vliegtuig gestapt en ik dacht ‘ik zie het wel’. Ik wou vooral een poosje weg van mijn eigen school, maar tegelijkertijd wilde ik om andere dingen ook eigenlijk graag in Groningen blijven. Ik had geen enkel onderzoek naar Philadelphia gedaan, zelfs niet naar de school. Monique zei toen nog, “ah, weet je niet eens wat City Hall is?” Nee, ik had geen idee, ik had niks opgezocht.

En sinds ik hier ben heb ik ook niet erg veel opgezocht. Ik heb met papa en mama een toeristentour gedaan, maar dat was het eigenlijk wel zo’n beetje. Ik heb geen museum bezocht en geen concert gezien (behalve in New York, maar ik heb het even over Philadelphia nu). Ik ben naar een paar voorstellingen van studenten geweest, maar dat was het wel. Gek is dat he, je zou van een muzikant toch verwachten dat ze dat wel doet. Ik ben een beetje een raar geval, I guess.

Ik heb ook geen behoefte om van alles te bekijken, op de een of andere manier. Ik had het er net vandaag met mama aan de telefoon over. Wat ik veel interessanter vind, is om deel te worden van de machinerie van een stad. Wat ik leuk vind, is om de stad te leren kennen. En dan bedoel ik dus niet om alle belangrijke gebouwen te bekijken, maar om de weg te weten. Om te weten wat de volgorde is van de niet-genummerde straten, die van oost naar west lopen. (South, Lombard, Pine, Spruce, Locust, Walnut, Sansom, Chestnut, Market.) Om te weten wat het nummer van Broad Street is. (14th Street.) Om te weten dat 11th Street de straat is met de tramrails, die trouwens niet gebruikt worden. (Oppassen met fietsen.) Om te weten dat de genummerde straten en gedeelte ‘North’ en een gedeelte ‘South’ hebben; City Hall vormt het splitspunt. (South 11th Street heeft dus niks te maken met South Street.)

Dat soort dingen te weten, geeft me het gevoel dat ik thuis ben in een stad. Hoe meer ik weet, hoe thuiser ik ben. Doordat ik die dingen nu weet, heb ik het gevoel dat ik hier gewoond heb en dat ik een speciale connectie heb met Philadelphia, die zal blijven als ik weer thuis ben. Want die straten liggen daar immers nog steeds en ik zou de weg weer weten te vinden als ik er weer terug kwam.

Maar toch blijft m’n hart natuurlijk thuis thuis liggen, in Nederland. Hoezeer ik ook opga in de machinerie van de stad, ik blijf me Nederlander voelen. En Groninger en Drent. Ik verzet me zonder uitzondering tegen de uitspraak “oh, you’re from Holland!” Nee, jongens, ik kom niet uit Holland. Helaas zijn de meeste mensen hier tevredengesteld met de kennis dat Amsterdam wel in Holland ligt. Als dat in Holland ligt, dan zal het wel goed wezen. Toch heb ik gelukkig ook al wat mensen kunnen verrassen met de wetenschap dat Holland slechts twee provincies is.

Als ik de balans opmaak van Amerika en Nederland, dan kom ik ook tot de objectieve, doch ongetwijfeld bevooroordeelde conclusie dat het terecht is dat mijn hart in Nederland ligt. Want laten we wel wezen, er valt nauwelijks iets te bedenken wat Amerika voor heeft op Nederland.

– Nederlanders hebben een veel betere eetcultuur. Amerikanen eten de hele tijd maar uit en gooien daarbij ongelooflijke hoeveelheden wegwerpeetmaterialen zonder pardon in de prullenbak. Sommige spullen, zoals servetten, belanden zelfs ongebruikt bij het afval.

– Ook plastic zakjes worden in groothandelhoeveelheden afgenomen door de gemiddelde consument. In supermarkten krijg je geld terug als je geen zakjes meeneemt, in plaats van dat je er geld voor betaalt als je er wel een wilt. Maar wie zou nou zelf een tas meenemen, als de zakjes toch gratis zijn?

– Daarbij zijn supermarkten gericht op volledige passiviteit van de klant. Ja, je kiest wel zelf je spullen en je werpt ze ook zelf in je mand, maar zelf inpakken laat men doorgaans door ingehuurde krachten doen. Dat resulteert in 3 artikelen per flutzakje.

– Jezelf vervoeren is een al even passieve aangelegenheid. Het gaat grotendeels per automobiel. De automobielen hier zijn een soort kartwagentjes; je drukt op gas en daar ga je. Je kunt, echt waar, in halve kleermakerszit je auto bedienen. Geen wonder dat men dan ook om de haverklap in ’t apparaat springt. Toch zou men voor de grap eens een fiets moeten proberen. Men zou merken, dat het vooral de auto’s zijn waardoor de reis vertraagd wordt. De fiets; DE oplossing voor het binnenstedelijke verkeer!

– Maar dat men niet massaal op de fiets springt, is misschien niet heel verwonderlijk als je bekijkt wat de opties zijn. Je komt meestal uit bij ófwel racefiets, ófwel mountainbike. Beide niet echt aantrekkelijke alternatieven voor degene die dagelijks in propere kledij de reis naar het werk onderneemt. De comfortabele fiets moet hier nog uitgevonden worden. Ik kijk uit naar mijn opoetje.

– Ik kijk ook uit naar Nederlands water. Het water hier is minder smakelijk dan thuis. Het smaakt naar chloorachtige viezigheidjes. Hoewel je daar na enige tijd aan gewend raakt, blijft Nederlands water eindeloos lekkerder. Ik kan niet wachten om het weer te drinken. Daarbij schijnt Amerikaans water slecht voor je haar te zijn en uitval te stimuleren. Sinds ik mijn haar weer geverfd heb, valt het me inderdaad wel op dat mijn borstel er erg rood uitziet na gebruik.

Maar Jojo, kan je dan echt niks bedenken wat beter is daar? Nou ok, dit dan.

– Ze serveren hier gratis kraanwater in restaurants. Dat is echt iets dat die krenterige Nederlanders van de Amerikanen zouden kunnen leren. Fijn!

Natuurlijk heb ik me prima vermaakt en het zijn allerminst ernstig levensbemoeilijkende omstandigheden, maar mijn patriottistische gevoelens komen toch wel naar boven. Het enige wat ik in Amerika beleefd heb en waar ik echt denk dat het Nederlandse equivalent nog veel van kan opsteken, is de school. Hoewel ook op hun programma van alles en nog wat valt aan te merken, vind ik de mate waarin ze georganiseerd en voorbereid zijn en hun curricula serieus nemen zeer voorbeeldig voor het Prins Claus Conservatorium.

Iets geheel anders waar ik al dagen over wil schrijven, zijn de concerten die we doen met het Philly Pops Festival Chorus. We hebben er inmiddels acht concerten in het Kimmel Center op zitten. Er staan er nog twee op de rol, waarvan ik de laatste zal missen, omdat ik dan al onderweg ben naar Portland, waar ik de kerst bij Maggie (mama’s nicht) zal doorbrengen.

Maar die concerten zijn heel noemenswaardig. Ze zijn namelijk iedere keer hetzelfde. Daardoor weet ik inmiddels precies wat wanneer komt en iedere keer dat ik daar in de rode koorbankjes zit te wachten tot ik weer aan de beurt ben, loopt het gebeuren als een verhaal door mijn hoofd heen. In gedachten heb ik het al een stuk of zeven keer uitgetypt. Nu ga ik het voor de eerste keer in het echt doen. Ben je er klaar voor?

Het begint een uur voor aanvangstijd van het concert, ofwel om 2 uur, ofwel om 7 uur. Ik ga dan door de artiesteningang naar binnen in mijn zwarte concertoutfit – meestal op mijn allstars, want op hakken lopen die ik zo weinig als maar mogelijk is – en ik neem de lift naar verdieping T1. Daar loop ik de Rendell Room in, waar we de warming-up doen met ons koor.

Vijf minuten voor tijd stellen we ons op in rijen, zodat we in de goede volgorde onze plekken kunnen innemen in de Verizon Hall. We lopen, met onze zwarte koormappen onder de arm, de zaal in en blijven op onze plek staan totdat ook het Philadelphia Boys Choir – in zwarte broek, wit overhemd en rood colbert – zich gesitueerd heeft. Dan gaan we zitten.

Om 3 uur of 8 uur wordt het zaallicht gedimd en komt de eerste violist van het orkest het podium op. Hij speelt tweemaal een A op de piano voor eerst de blazers en daarna de strijkers om te stemmen. Dan gaat al het licht uit, op een spotlight na. Die richt zich op Santa Claus, die het podium opkomt en er op miraculeuze wijze in slaagt door middel van een armgebaar de lichtjes in vier kerstbomen te ontsteken.

Terwijl hij het podium weer afloopt, komt Peter Nero het podium op. Meestal schudden ze elkaar onderweg de hand. Peter Nero is de dirigent van het Philly Pops orkest. Hij is een hele oude, wit-grijze man met een ontzettende charme en een betoverend gevoel voor humor. De publieken voor deze concerten zullen wel niet de moeilijkste zijn, met hun jolly christmas spirit, maar hij heeft ze in ieder geval volledig op zijn hand.

Het eerste nummer dat we spelen, is een medley van verschillende kerstnummers. Het begint met een aantal maten koperblazers. Op een bepaald moment staat ons hele koor op en enkele maten later vallen we in met ‘Joy to the world’. Een paar minuten en wat gloria’s en jingle bells verder hebben we happy holidays en daarmee het eind van het nummer bereikt.

Dan is het tijd voor het Phildelphia Boys Choir, dat een enigszins langdradig engelenliedje brengt. Ik ga er echter vanuit dat hun engelachtige geluid de langdradigheid compenseert voor het publiek. Voor mij is het vooral hun dirigent, Jeff Smith, die alles goed maakt. Tijdens dit nummer dirigeert hij de boel en dat is wat mij betreft nog more adorable dan die jongetjes. Hij playbackt praktisch het hele nummer mee, met overdreven articulatie, om de jongens aan te moedigen luid en duidelijk te zingen. Hij zet daarbij grote ogen op en wenkt het koor met zijn vingers om meer geluid te krijgen. Zijn betrokkenheid zet vriendelijk bloed bij mij.

Na “Angels Carol” brengen we, in Peter Nero’s woorden, “Rachel’s take on the Ella Fitzgerald take of Santa Claus is coming to town”. Rachel York is de broadwayzangeres die als gastsoliste enkele nummers zingt in het concert. Peters grap krijgt de zaal steevast aan het lachen, ook al moet ik zeggen dat ik deze zelf niet bijzonder sterkt vind. Maar hee, het werkt!

Na enkele achtergrondlijntjes voor ons in dat nummer, hebben wij weer een nummer pauze. Rachel York zingt “Santa Baby”. In dit nummer verleid ze Santa Claus; ze wil graag ‘the deed’ and ‘a ring, I don’t mean on the phone’. De Kerstman himself doet natuurlijk mee aan dit nummer. Ze neemt bij hem op schoot plaats en kort daarna ook bij de eerste cellist, die voor de gelegenheid even zijn cello uit handen geeft aan zijn buurman. Hij heeft echter het nakijken aan het eind van het nummer, want Santa heeft cadeautjes en de cellist heeft in principe vrij weinig te bieden. Een erg amusant stukje, dat het ook aldoor erg goed doet bij het publiek, haha.

“The Chanukah holiday has just passed, but the spirit remains with us. That’s why we want to play you a group of Chanukah songs, appropriately entitled “A group of Chanukah songs”.” (Publiek: lach hier. (Doen ze altijd.))

Dan zingt Rachel York een jazzy uitvoering, zonder orkest, van “Have yourself a merry little Christmas”, gevolgd door het instrumentale “White Christmas”, featuring Peter Nero op de piano. Geweldige pianovirtuoos is hij ook nog! Volgens Wikipedia is hij inmiddels 76 jaar, maar hij is echt nog zo levendig als wat en dus nog op de bühne ook. That’s one hell of a way to grow old. Doe mij ook zo een.

Na “White Christmas” zijn wij weer aan de beurt. We zingen twee liedjes uit yet another medley. Het eerste nummer is “Bring a torch”, een schattig kerstliedje dat ik nog nooit eerder had gehoord. Daarna komt er een heleboel halleluja en gloria in de hoogte.

Dit wordt meestal goed ontvangen, maar het hoogtepunt van de avond is dan nog niet bereikt. Vlak daarna komt dat wel, en wel in de vorm van “I’ll be there”. Peter Nero: “When I first heard a recording of “I’ll be there”, I thought it was the Jackson Five. But it wasn’t, it was the Philadelphia Boys Choir. They recorded this song and they will perform it for you tonight.” Dan komen twee jongetjes, genaamd Nathan Butler en Aaron Houston, het podium op en zingen het nummer, gebackt door de rest van hun koor en de mannen van ons koor. Dit is een nummer met een hoog R&B-gehalte en vooral Aaron Houston van de Afro-Amerikaanse gemeenschap weet dat bij het publiek donders goed uit te melken. Tegen het einde van het nummer zingt hij, a capella, een enorme lick op de tekst ‘I’ll be there’, waarna het orkest en het koor weer invallen en het publiek uitbarst in een daverend applaus. Meestal springen de mensen als het nummer voorbij is onmiddellijk uit hun stoelen voor een staande ovatie. Het is nog maar twee keer niet gebeurd.

Na dat nummer zegt Peter Nero: “Who could be the ones to follow that. [Publiek lacht] Oh wait, it’s us! [Publiek lacht nog meer.]” Gelukkig is het volgende nummer ook vrij entertaining. Het is een medley van liedjes uit de musical “How the Grinch stole Christmas”. Peter: “I guess you are all familiar with the books of Dr. Seuss? [Publiek zegt: “Yesss!”] One of these stories is about the Grinch, also a popular motion picture. When my children were young, I used to read those books to them. Now they’re reading them to me. [Lach!]”

Het orkest speelt, wij springen weer van onze bankjes – dit keer zonder koormappen, jaja, het is heus – en zingen onze liedjes. Tijdens het tweede liedje in de medley – “You’re a mean one, Grinch” – komt meneer Kerstman, dit keer in Grinchpak, het podium op. Daar maakt hij orkestleden met een knuffel aan het ‘schrikken’. [Publiek lacht.] Tijdens het derde liedje barst het koor vanwege pure jolliness zowaar uit in gedans. (We stappen van de ene voet op de andere en, niet vergeten!, we beginnen aan de rechterkant.) We eindigen met een ‘Yeeeeeeah’ en wapperen daarbij met onze jazz hands ter hoogte van onze middel.

En dan is het tijd voor Peter Nero’s favorite holiday song en het moeilijkste stuk van de avond: “Ave Maria”. Je moet weten, Peter Nero is niet echt een eenvoudige dirigent. Dirigenten hebben een slagpatroon, waaraan je kunt zien op welke plek je je bevindt in de maat. Hiermee wordt dus ook het tempo aangegeven. Wij moeten daar erg goed op letten, want we kunnen het orkest vaak niet goed horen en bovendien zit er een vertraging tussen het moment dat het orkest speelt en het moment dat wij dat horen. Als wij vertraagd zingen, krijgt de zaal een nog vertraagder geluid. Als het tempo nou de hele tijd hetzelfde zou zijn, dan zou je af en toe wel eens de dirigent uit het oog kunnen verliezen, zonder dat dat grote consequenties zou hebben, je moet immers gewoon door zingen. Alleen Peter Nero wil het tempo nog wel meer dan eens vertragen en versnellen. We moeten hem dus goed in de gaten  houden. Maar zelfs met hem in de gaten, is het soms onduidelijk hoe snel we gaan, want zijn slagpatroon is niet bepaald straight forward. Soms valt in het geheel niet af te leiden welke tel hij slaat en vaak verdeelt hij tellen ook onder. Hij geeft dan in plaats van alleen de kwartnoot, ook de achtste noten of de triolen aan. Dit maakt het allemaal wat gecompliceerder. Vooral bij “Ave Maria” heeft dit voor ons consequenties. Ik ben dan ook altijd weer blij als dat nummer voorbij is.

Met dit nummer is ook bijna de eerste helft van het concert voorbij. Er rest dan alleen nog dit: “We would like to close the first half now, with our favorite, traditional “First half closer”.” [Publiek lacht.]

Daarna verlaten we de zaal voor de pauze. Backstage worden we opgewacht door het African Episcopal Church of St. Thomas Gospel Choir, dat in hun kleurrijke, Afrikaanse outfits ieder concert een een applaudisserende erehaag voor ons vormt. Veel van hun koorleden houden hun handen omhoog om ons te high fiven en er wordt algemeen gejoeld. Dit koor wordt in de tweede helft toegevoegd aan de twee koren die er al zaten.

De tweede helft begint met een nummer uit Harry Potter. Niet zo kerstig, wel mooi. Daarna speelt de organist, Peter Richard Conte, een solo. Het eerste concert speelde hij “Carol of the friendly beasts”, maar dat klonk niet zo friendly en hij besloot de volgende avond wat anders te spelen. Ook dat vond hij blijkbaar echter niet geschikt en de derde avond speelde hij “Deck the hall” (falalalala, you know?). Sinds dat concert, speelt hij iedere keer hetzelfde, al heel wat keertjes dus, maar Peter Nero heeft nog steeds het gevoel dat hij iedere keer op wat anders getrakteerd wordt. Hij vraagt dan ook aldoor: “What are you playing tonight, Peter?” De organist schreeuwt dan, van helemaal hoog bij het orgel waar wij ook zitten, “Deck the hall!” Peter Nero is iedere keer weer verbaasd, lijkt het, haha.

Na de orgelsolo is het weer tijd voor Rachel York, “she’s been off stage for quite a while now and she didn’t seem too happy about that. She was quite angry with me during the intermission.” Ze zingt “Diva’s lament”, een heel grappig aanstelleritisnummer waarin ze klaagt over het feit dat haar carrière zo in het slop is geraakt en dat ze zo weinig op het podium mag staan van haar producers. Het grappigste moment vind ik het moment waarop ze zingt “I’m pregnant, I’m not fat!” De context wordt me niet duidelijk, want ik kan het niet goed verstaan vanuit de koorbankjes, maar ik vind het leuk, omdat ze hoogzwanger is. Echt joh, je zou die buik moeten zien. En dan een galajurk erover en hakken eronder. T is n wonder dat het niet omvalt.

We gaan verder (nog even, we zijn er bijna ;)) met de sing-along, yayyy! Het zaallicht gaat aan en iedereen mag meezingen met een paar kerstklassiekers. Hierbij heeft ons koor een paar hi-la-ri-sche bewegingen, die zich vooral betrekken op “Rudolph the red-nosed reindeer” (reindeer! Had a very shiny nose. Like a flashlight!)

Na dit feestje is het eindelijk tijd voor het African Episcopal Church of St. Thomas Gospel Choir. Zij brengen twee gospelnummers. Hun passie is hartverwarmend. Net als vorig jaar, toen we in een gospelkerk waren in San Francisco, overweldigt me dat op de een of andere manier steeds weer. Je religie vanuit een optiek van vreugde te beleven en daar met zoveel life over te zingen, is tot nog toe de enige manier die me sensical voorkomt. De godvrezendheid van de protestanten waarmee ik ben opgegroeid steekt daar schril bij af. Deze mensen zingen “I can feel the presence of the Lord and I’m gonna get my blessing, right now!” Haha, way to go. Ik moet er elke keer weer om lachen.

Na deze vreugdevolle performance is het concert zo’n beetje ten einde. Het wordt nog gevolgd door het uitermate ernstige “Hallelujah Chorus”, dat de zaal traditiegetrouw staand beluistert en meezingt. Tot uiterst slot speelt het orkest nog een lied waarbij iedereen geacht wordt te klappen op zeer specifieke wijze. Het is me volstrekt onduidelijk wat dit voor lied is en waarom we zulke wanpraktijken tot uitvoer moeten brengen. Ik heb wat videomateriaal gesmokkeld. You be the judge! (Vanaf ongeveer halverwege begint het geklap.)

Plaatje!

Cello-vormige zaal en het orkest

Peter Nero and the Philly Pops

Mijn buurman en -vrouw

Koormap!

Zo, het is hier onderhand na 4 uur ’s nachts en het wordt zo langzamerhand tijd eens naar bed te gaan. Morgen is mijn laatste dag als bewoner van 1602 2R Spruce Street. Raar! Ik heb al een koffer ingepakt en naar het huis van een vriend verplaatst. Ik ben nog meer terug in Philadelphia rond nieuwjaar en ik logeer dan bij een vriend. Mijn huur loopt af op 23 december. Ik neem niet al mijn bagage mee naar Portland, dus die laat ik hier tijdelijk achter. Het is heel maf dat ik nu weer weg ga. Ik ben zo gewend geraakt aan het huis en de stad en aan het tijdsverschil met Nederland. Straks is alles weer gewoon en dat went natuurlijk snel genoeg, maar voor nu is het een heel merkwaardig idee. Maar wel heel erg veel zin in!

Eerst nog even genieten van kerst op de westkust en oud&nieuw op de oostkust. Ik denk dat het mooie feestjes worden. Vandaag, inmiddels, viert ook mijn lieftallig zusje Anna feest. Ze is jarig. Ik wilde haar gaan bellen na mijn nacht, maar sinds het daar inmiddels al na tienen is, denk ik dat het maar ga doen voordat ik naar bed ga. Dus Anna, gefeliciteerd en maak je klaar voor de phone call!

U verder allen wens ik een bijzonder fijne vakantie en alvast een hele fijne kerst en jaarwisseling. Ik schrijf nog wel even weer voordat ik terug ben, denk ik, ook al zal de tijd heel snel gaan vanaf nu. Ik ben bijna weer thuis!

OOH en trouwens! Ik ben penningmeester van DWARS landelijk! Just thought you should know. Ik vind het een groot feest en ik heb al van alles gepland staan voor januari in die functie. Superveel zin in.

Ok doei!

Dikke liefs, nog een keer uit Philadelphia,

Jojo